Stop de broeikas – doe het zelf

(De overheid kan het niet)

 

door Jeroen Trommelen

 

Wie verstand heeft van milieuzaken en zijn verstand (toch) nuchter bij elkaar heeft, was twee jaar geleden plotsklaps een interes­sant mens. Na het schrijven van Stop de Broeikas werd ik gevraagd voor tientallen spreekbeurten. Een ervan werd georganiseerd door een grote, linkse politieke partij, inder­daad: de PvdA. Die had me ingeroosterd voor de vraag: Hoe beïnvloedt klimaatverandering ons dagelijks leven?

Dat is een goede vraag, maar ik had geen idee. Bij de meeste mensen die ik ken, verandert klimaatverandering niets in hun dagelijks leven. Ik vermoed dat bijna iedereen de komende jaren gewoon doorgaat met zijn of haar leven; of de aarde nu opwarmt of niet; of ze in de Californische woestijn of onder de Nederlandse waterspiegel wonen of niet, kredietcrisis of niet.

Gewoon doorleven hebben we de afgelopen decennia óók gedaan tijdens de ooorlog, de koude oorlog, de energiecrisis, de welvaartsgolf en nu nog steeds. Dat patroon houden we waarschijnlijk nog wel even vast. Denk ik. Maar eigenlijk dus: geen idee.

Waar ik wél iets over weet is het omgekeerde: hoe we via ons dagelijks leven klimaatverandering kunnen beïnvloeden. Wat dat kan natuurlijk – zowel in negatieve als positieve zin. Via ons persoonlijke gedrag en onze keuzes als consument, kunnen we onze de uitstoot van broeikasgas verhogen of verlagen. De interessante vraag daarbij is hoeveel dat helpt, en welke gedragingen zoden aan de dijk zetten en welke veel minder. En op dat punt verdrinkt de consument nog in het moeras van zijn eigen onwetendheid.

Het begint al met de vraag voor welk deel van de uitstoot van broeikas, consumenten verantwoordelijk zijn. Vaak wordt dit onderscheid niet gemaakt en wordt energiegebruik toegeschreven aan sectoren, zoals transport, energie, landbouw en industrie. Volgens onderzoeksbureau CE gebruiken de Nederlandse huishoudens, kleine bedrijven en automobilisten per jaar ongeveer 1300 pegajoules energie per jaar. Dat is veertig procent van het directe, nationale energiegebruik. Veertig procent! Je hoort wel eens dat de burger of de consument machteloos staat tegenover grote vraagstukken als het broeikaseffect, maar als je kijkt naar ons eigen aandeel is dat is dus niet waar.

Ik begon mijn boek Stop de Broeikas naar aanleiding van de film van Al Gore. Ik bedacht me namelijk dat mensen die weinig van het klimaatprobleem weten, wel door Gore overtuigd, maar óók ontmoedigd kunnen raken. Want als Al Gore gelijk heeft (en dat is zo), wat moet je dan doen? Stel dat iedereen zijn woorden serieus zou nemen, maar toch redelijk normaal zou willen dóórleven? Zou dat kunnen? Ik meende van wel, maar vermoedde dat er méér voor nodig was dan de handvol tips die je tijdens de aftiteling van de film voorbij ziet komen. Dat is namelijk het bekende rijtje: vaker fietsen, plastic tasje weigeren, afval beperken, enzovoort.

            Voor de duidelijkheid: ik zelf fiets elke dag 30 kilometer van en naar mijn werk; ik neem keurig mijn eigen boodschappentas mee en ik scheid netjes mijn afval. Maar daarmee lijd ik nog géén schoon en zuinig leven. Volgens minister Cramer (PvdA) zou ik dat wel moeten. ‘Nederlanders moeten het als een sport te gaan zien om schoon en zuinig te gaan leven’, zei ze laatst.

            Ik  wil wel. De lezer misschien ook wel. Maar wat is schoon en zuinig? Zijn het spaarlampen, geweigerde plastic tasjes en goed opgepompte autobanden? Gaat het om het scheiden van afval en het gebruik van statiegeldflessen? Zijn die oeroude tips van de milieubeweging bruikbaar voor het omlaag brengen van de uitstoot van broeikasgas? Als je dat wil onderzoeken, stuit je al snel op een berg informatie die overtuigend aantoont dat wat Nederlanders zeggen te doen voor het milieu, in feite weinig bijdraagt  aan een schone en zuinige levensstijl.

Probeer de vraag maar eens uit bij je buurman: wat doe jij voor het milieu? De kans is groot dat hij iets prevelt over het scheiden van afval, statiegeld en héél misschien over de auto die hij soms laat staan. Maar de kans op dat laatste is al klein, want het aantal autokilometers (200 miljard kilometer per jaar) stijgt al jaren, en doet dat nog steeds. Als uw buurman zegt dat hij tegenwoordig minder auto rijdt, jokt hij waarschijnlijk.

Twintig jaar geleden, toen ons huishoudelijk afval nog werd gestort, was de groene GFT-bak bijvoorbeeld een bewijs van voorbeeldig milieugedrag. Maar dat is al lang achterhaald. Zelfs volgens voorlichtingsinstantie Milieu Centraal (een gezamenlijke instantie van overheid, milieubeweging en bedrijfsleven) is het effect van het verbranden en composteren van groen afval tegenwoordig gelijk. In het eerste geval maken de afvalverwerkingsinstallaties er groene stroom van; in het tweede geval wordt mineraalrijke compost gefabriceerd. Het voornaamste verschil zit hem in de kosten: per kilo gecomposteerd afval bespaart een gemeente – en dus de burger – zich gemiddeld vijf cent.

De groene bak is een verouderd milieuritueel, en helaas niet het enige. Ook het milieueffect van plastic tasjes, uitwasbare luiers en zelfs spaarlampen is marginaal als we het vergelijken met handelingen die er tegenwoordig écht toe doen. Die spaarlamp, bijvoorbeeld, kan het energiegebruik van een gemiddeld huishouden hoogstens met één procent terugbrengen. Winkels die zichzelf een sjiek, groen imago willen aanmeten en papieren draagtassen uitdelen (die veel zwaarder zijn) , zorgen voor méér broeikasgas en meer klassieke vervuiling.  Wie katoenen luiers gebruikt en die daarna in de wasdroger stopt, gebruikt evenveel energie als met wegwerpexemplaren.

Wie een broeikasvriendelijke levensstijl nastreeft, moet zijn milieugedrag dus updaten en loskomen van de klassieke tips van de milieubeweging. Het goede nieuws is dat zulke updates bestaan en dat ze weinig tot niets kosten. Het schitterende nieuws is dat wie ze echt gebruikt, zijn of haar bijdrage aan het klimaatprobleem inderdáád drastisch kan beperken. Besparingen van dertig tot vijftig procent in een gemiddeld Nederlands huishouden zijn mogelijk.

            De meest efficiënte categorie maatregelen bevat vooral suggesties op het gebied van alternatieve energie, het compenseren van klimaatgedrag en beperking van luchtvaart. Die oplossingen komen weliswaar voorbij in het publieke klimaatdebat, maar worden nog nauwelijks in praktijk gebracht. Minder dan één procent van de Nederlandse vliegtuigpassagiers compenseert de klimaateffecten van zijn vlucht. Kennelijk praten we liever over spaarlampen en sluimerknopjes, hoewel dat dus slechts één tot anderhalf procent mogelijke besparing oplevert.

            Emissiehandel in de luchtvaart – een oplossing van de Europese commissie – gaat de tickets maximaal 30 euro duurder maken. Dat is te weinig om de vraag structureel te beïnvloeden. De onlangs ingevoerde ticketbelasting op Schiphol verlaagt de vrgaag naar vliegreizen hoogstens vijf procent over vier jaar. Die grote, linkse partij waarvoor ik sprak vroeg zich bezorgd af: ‘Hoe voorkomen we dat vliegvakanties alleen nog bereikbaar zijn voor de happy few?’ Dat is een ouderwetse, sociaal-democratische vraag. Maar zodra vliegvakanties zo duur zijn dat alleen de happy few ze kan betalen, zijn we een stuk opgeschoten. Laten we zo eerlijk zijn dat toe geven. Tachtig procent van de Nederlandse vliegkilometers wordt gemaakt door twintig procent van de toeristen. Er is één goede en snelle manier om dat te beperken, namelijk via de prijs, maar dan wel behoorlijk.

En kennis vermeerderen, natuurlijk.

            Zoals dit: het vermijden van één intercontinentale vlucht levert twaalf keer meer op aan vermeden broeikasgas dan het indraaien van twintig spaarlampen die één jaar branden. Door het overschakelen op groene stroom besparen we tien keer zoveel als met het uitzetten van al die sluimerknopjes. Allebei mag natuurlijk ook, maar ik vrees dat het de meeste burgers ontbreekt aan inzicht in de hiërarchie van nuttige maatregelen.

            Wat me teleurstelt, is dat de politiek de burger op dit gebied niet of nauwelijks te hulp schiet. Het motto is dat alle kleine beetjes helpen. Zo werd besloten dat we er rondom deze tijd weer een groen afvalritueel bij krijgen: de plastic-bak. Volgens het ministerie zal in 2012 ruim veertig procent van het kunststof afval in een aparte bak worden gegooid. Dat zou 210 kiloton broeikasgas besparen.

 

 

 

            Als je dat omrekent naar zeven miljoen huishoudens, gaat het om 30 kilo CO2 per jaar, oftewel 0,14 procent van ons huishoudelijk energiegebruik. In theorie! Ik weet nu al dat mijn moeder die plastic boterbakjes en vleesschaaltje netjes pers stuk gaat uitwassen met warm water, omdat ze anders ‘zo gaan stinken in de keuken’, en dat haar energiebesparing daarmee vermoedelijk weer helemaal teniet zal worden gedaan. Maar erger is dat de burger straks denkt: ik hou mijn flessen en groen afval apart, ik heb vier spaarlampen gekocht en nu ga ik óók al naar de plastic-bak… met mijn milieugedrag zit het wel snor.

            Een ander probleem is dat veel mensen bij energiebesparing blijven denken aan gas, stroom en benzine. Toch gebruiken we minder dan de helft van onze totale energie op die klassieke manier. De andere helft zit in de energie in producten en diensten die we kopen. Dat aandeel groeit en zal bij toenemende welvaart de komende jaren blijven stijgen, zegt het milieuplanbureau RIVM. Traditionele energiebesparingsmaatregelen worden daardoor steeds minder belangrijk en nieuwe vormen van besparing steeds méér.

            De kunst is dus om je geld op klimaatvriendelijke wijze uit te geven. En let op: bij energiebesparing is dat soms een acuut probleem. Isolatie van je huis en spaarlampen leveren heel snel geld op. Met een zuinige auto hou je geld óver. Sociaal-psychologe Brigitta Gatersleben heeft onderzocht waaraan Nederlandse consumenten die besparing denken te gaan uitgeven. Aan nóg meer besparing, zeiden sommigen. Anderen zeiden: aan een vliegvakantie, aan nieuwe meubels, of aan een nieuwe muziekinstallatie. Tja, zo werkt het dus niet.

            Follow the Money en ontdek hoe het geld uiteindelijk toch wordt omgezet in energie, en dus in broeikasgas. Vaak is de uitkomst verbluffend. Sommige producten of diensten bevatten zóveel energie of zorgen daarmee voor zóveel uitstoot van broeikasgas, dat ze simpelweg niet passen in een klimaatvriende­lijke leefstijl. Het bekendste voorbeeld is de verre vliegvakantie, maar ook in de tuin, in de kledingwinkel, bij de slager (vlees!) en in supermarkt is veel klimaatwinst te boeken terwijl de euro’s blijven rollen.

            Diensten bijvoorbeeld bevatten per bestede euro bijna altijd minder energie dan goederen. In een klimaatvriendelijke leefstijl wordt het aantrekkelijk om de welvaart te besteden aan de moeite van anderen. Zo ontstaat een heel nieuw perspectief op schoon en zuinig leven. Een van de meest broeikasvriendelijke manieren om geld uit te geven is bijvoorbeeld de aanschaf van een kunstwerk. Dat bevat weinig materiaal en extreem véél dienstverlening, gerelateerd aan de hoeveelheid euro's die ervoor van eigenaar verwisselt.

            Uit eten gaan is ook prima. In een restaurantbesteding van honderd euro zit gemiddeld 70 kilo van het broeikasgas kooldioxide. Dat is minder dan nodig is voor de productie van een spijkerbroek van honderd euro (110 kilo). En véél minder dan voor de aankoop van honderd euro benzine waarmee 270 kilo broeikasgas wordt geproduceerd.

            Milieukundigen zijn jaren bezig geweest om de hoeveelheid energie van allerlei menselijke handelingen en diensten in kaart te brengen. Dankzij een studie van de Universiteit Utrecht weten we bijvoorbeeld dat een lichaamsmassage gemiddeld 40 megajoules energie kost. Dat is evenveel als de energie die nodig is voor de productie van een pond gehakt. Maar let op! Omdat zo’n massage tien keer meer kost dan dat  pond halfom, worden die euro’s wél tien keer klimaatvriendelijker besteed. Minder product en meer dienstverlening; dat wordt de leuze van het nieuwe milieugedrag.

            Vijftien jaar geleden ging van de energiebesteding van Nederlandse huis­houdens 5 procent naar de aanschaf van bloemen, planten en tuininrichting. Door de explosieve groei van de markt van kunststof vijvers, hardhouten schuttingen, tuinmeubels, buitenkookunits, éénjarige planten en tuinprullaria is dat aandeel nu bijna verdubbeld. Zodoende kan zelfs in de tuin opmerkelijk veel klimaatwinst worden geboekt. Wie voor hetzelfde geld een tuinarchitect inhuurt om een duurzame en klimaatvriendelijke tuin aan te leggen, bespaart zomaar 5 procent van zijn huishoudelijk energiegebruik.

            Op het gebied van klimaat en lifestyle is de afgelopen jaren een compleet nieuwe wereld ontstaan van kennis en keuze. Die wereld is niet grauw of hopeloos, integendeel. Tijdens het schrijven van Stop de Broeikas heb ik bijvoorbeeld de klimaatbijdrage van mijn eigen huishouden met een kwart verminderd. Gewoon, door even te surfen op Internet en me aan te melden bij een nieuwe energieleverancier die niet alleen groene stroom levert (die had ik al) maar ook ‘groen gas’. Daarvoor betaal ik geen cent extra. Zoals de Consumentenbond al vaststelde, zijn de kleine nieuwkomers op de energiemarkt vaak opvallend goedkoop.

            Een van de interessantste ontwikke­lingen is de mogelijkheid om de uitstoot van broeikasgas te compenseren via bosaanplant of energieprojecten. Ik heb me lang afgevraagd of die systemen serieus moest nemen, en besloot dat voorlopig toch maar te doen. Mensen die schamperen over het ‘afkopen van schuldgevoel’ zijn vaak zowiezo overal tegen, en komen zelden met alter­na­tie­ven. Voor de pioniers van de klimaatconsump­tie is klimaatcompensatie heel geschikt, op voorwaarde dat je het doet bij de juiste leve­rancier. Duurzame energieprojecten zijn altijd goed, en van nieuwe bossen om koolstof vast te leggen zullen we ook geen spijt krijgen. Bovendien worden mijn euro’s via die systemen bijna optimaal broeikasvriendelijker besteed. De kans dat ik er anders méér broeikasgas mee zou hebben geproduceerd, is in elk geval erg groot.

            Consument met een ‘groene creditcard’ (te verkrijgen bij GreencardVisa en de Rabobank) kunnen zelfs meer dan een kwart van hun consumptie klimaatneutraal maken. Nee, dat is géén structurele oplossing. Maar als tussenstap naar een volledig broeikasneutrale samenleving lijkt het me geen slecht idee.           Wel moeten de slechte compensatieprojecten zo snel mogelijk van de markt worden gehaald zodat de burger geen makkelijke smoes meer heeft om er niet aan mee te doen.

Voorbeeld:  toen ik via Greenseat de klimaatlast van mijn vliegreis compenseerde, gebeurde dat door op Jamaica de aanschaf van vier spaarlampen te subsidiëren. Dat was een frauduleuze claim. Vier spaarlampen om 2,5 ton CO2 te compenseren is onwaarschijn­lijk weinig. Bovendien zouden de bij het project betrokken luxe hotels op Jamaica die lampen waarschijnlijk toch wel hebben gekocht. Nog erger is dat ze het uitgespaarde geld kunnen gebruiken om nog méér hotelkamers aan te leggen voor nog meer vliegreizen. Al die dingen worden door Greenseat niet mee­gerekend, waardoor de feitelijke energie­besparing van dit soort projecten misschien wel negatief is. Na mijn artikelen hierover werd het project uit de brochure geschrapt.

            Probleem is dat klimaatneutrale projecten worden verhandeld op de markt van ‘vrijwillige  emissierechten’. Die markt kent weinig regels, waardoor niemand zich lijkt af te vragen of de projecten werkelijk additioneel zijn – of ze anders niet óók zouden zijn uitgevoerd. Bij veel van die projecten is dat absoluut het geval, wordt mij verzekerd door energie-experts in de Derde Wereld. Om onze vliegreizen te compenseren, worden simpelweg bestaande projecten ‘opgekocht’ om de credits vervolgens door te verkopen. Met het neutraliseren of compenseren van broeikasgas heeft dat niets te maken. Die projecten moeten dus ook worden geschrapt.

            Wat doen we? Wachten op de overheid of zelf iets doen? Kijk eens naar het volgende citaat: ´We hebben hoogstens nog tien tot vijftien jaar om de maatregelen te nemen die nodig zijn om te voorkomen dat we een catastrofale grens passeren” . Dat citaat is niet van Al Gore. Het is ook niet van minister Cramer. Het is van Jan Peter Balkenende, minister-president van Nederland. Hij schreef het in een brief (samen met Tony Blair, dat wel) in oktober 2006 aan een EU-top in Finland.

Als we niet binnen vijftien jaar échte maatregelen nemen, zegt onze premier, dan hoeft het niet meer. Dan schieten onze CO2-emissies écht de lucht in en worden we zowiezo geconfronteerd met catastrofale gevolgen. Politieke leiders wéten het dus wel, maar zijn niet bijn machte de samenleving dwingende maatregelen voor te schrijven. De burgers zelf kunnen niet alleen iets ondernemen tegen klimaatverandering. Ze zullen het ook moeten. Dus: aan de slag!

 

Jeroen Trommelen